Stop making sense

Het weekend waarin weer een aantal versoepelingen zijn ingegaan, ga ik nieuwsgierig naar het Filmtheater. Vandaag draait een bijzondere film, een die bij voorbaat warme herinneringen oproept. Het is een concertfilm: David Byrne’s America Utopia. https://youtu.be/x77YzzQwidM

Toen ik eind 2018 erg positieve berichten hoorde over het concert van Byrne in AFAS Live, vond ik het jammer dat ik geen kaartje gekocht had. In de zomer van datzelfde jaar had hij ook al Down the Rabbit Hole een boost gegeven. Gelukkig kan ik vanochtend alles in een keer inhalen. Het is nog vroeg en de zaal is niet uitverkocht. Ik leun achterover in mijn stoel en ga genieten.

Zevenendertig jaar geleden deed ik dat ook. In het rode pluche van Tuschinski draaide Stop Making Sense, een registratie van een concert van The Talking Heads, David Byrne was toen de leadzanger. De film maakte indruk, mede vanwege de manier waarop het optreden in beeld was gebracht. In een lege concertzaal zonder enige aankleding zingt Byrne het eerste nummer Psycho Killer. Een grote hit op dat moment. Bij elk volgend nummer vult het podium zich. De technici zijn druk bezig alles op de zetten. De drummer wordt op een prakje de zaal ingereden, alle andere muzikanten volgen. Iedereen zingt, speelt, danst en rent. Ze wisselen van instrumenten en kleding. De achtergrond is vaak zwart, maar soms worden er woorden, foto’s en kindertekeningen getoond. Het optreden rocks met de strakke riffs van de gitaren en de swingende afrofunk. Ze spelen achttien nummers en Byrne is burning down the house in zijn ruim zittende beige kostuum. Het voelt alsof de band voor jouw persoonlijk een concert geeft, terwijl je in een stampvolle warme zaal zit. Het is nog steeds de beste concertfilm ooit.

Ik heb de film daarna nog een paar keer gezien. Het vormde de afsluiter van de eerste Kamper Filmnacht, waarin we allemaal muziekfilms programmeerden. De LP van het concert heb ik grijs gedraaid. Bij toeval stond Stop Making Sense ook op de IPod die mijn wandel- en fietstochten de afgelopen anderhalf jaar heeft begeleid.

Nu aan het begin van de ‘summer of love’ kijk ik opnieuw naar een concertregistratie van David Byrne. Het is een groot feest van herkenning. Kindertekeningen vullen het eerste shot. Byrne zit alleen op het podium in een schoolbankje met een model van een mensenbrein in zijn hand. Aan de drie wanden van het podium worden kettingen omhoog gehesen die je per strekkende meter kunt kopen in elke ijzerhandel. In deze zilvergrijze wereld is de 69-jarige David Byrne nog goed bij stem. Hij zingt nummers van zijn laatste cd afgewisseld met de Talking Heads evergreens. Een elftal muzikanten waarvan de helft percussionisten begeleiden hem daarbij in een strakke choreografie. Allemaal in identieke grijze pakken, allemaal blootsvoets met draagbare muziekinstrumenten, die draadloos worden versterkt. Zo kunnen ze zich vrij bewegen, voor zover het vrij mag heten: iedere opstelling, iedere danspas is van tevoren uitgedacht. Laat het maar aan David Byrne over om uiterste discipline te transformeren tot een feest van expressie en gezamenlijkheid.

In korte intermezzo’s laat Byrne zijn filosofie los over Amerika, babyhersenen, dadaïsme en politiegeweld tegen zwarte Amerikanen. Maar boven alles is American Utopia een muzikaal feest, zo bezield en opzwepend dat het lijkt alsof je in de zaal staat – maar dan met beter zicht op wat er allemaal op het podium gebeurt.

Vrolijk verlaat ik de bioscoop, nog steeds via de nooduitgang, maar zonder een mondkapje. Het deuntje van The road to nowhere zit nog in mijn hoofd. Ik zal het concert nog wel een paar maal via Spotify gaan beluisteren deze week.

Geef een reactie